Beste Eric en Svein,

Beste Eric en Svein,

Elke keer als ik in Arnhem het station verlaat, wordt mijn blik naar jullie getrokken. Ik geloof trouwens niet dat jullie míj ooit gezien hebben. Jullie kijken immers soeverein over ons stervelingen heen. Eric, jij lijkt diep in gedachten, je mondhoeken tonen ontevredenheid over de situatie die je voor je ziet. En Svein, bij jou stel ik me zo voor dat je buiten beeld een enorme knots in je handen hebt, waarmee je het liefst eens goed orde op zaken zou willen stellen. Die norse, ontevreden blikken pasten jarenlang goed bij jullie uitzicht vond ik. Want het zag er soms hopeloos uit, die bouwput aan jullie voeten. Het Arnhemse stationsgebied was jarenlang een bouwkundige kakofonie van oude, nieuwe, tijdelijke en half afgebouwde constructies. En net als jullie had ook menig Arnhemmer er op een gegeven moment een hard hoofd in. Komt dat nieuwe station ooit af? Maar, zo weten we nu, het kwam af. En hoe! Uiteindelijk zullen de kostenoverschrijdingen, vertragingen en lekkende daken vergeten zijn. Het enige dat dan resteert, is een stationsgebouw dat met recht iconisch genoemd mag worden. Een gebouw waar mensen speciaal naartoe reizen om het te bekijken en te fotograferen. Zo’n blikvanger is het geworden en dat is prachtig. De hal van het nieuwe stationsgebouw Overigens heeft niet alleen het station Arnhem ingrijpend veranderd. In het gebied zijn meer gebouwen verrezen met beeldbepalende trekjes. Waar eerst de Eusebiustoren de skyline van de stad domineerde, moet die haar plek nu delen met de Park- en Rijntoren. En ook de aanblik van het Willemsplein is veranderd, al ben ik daar minder enthousiast over. Aan het Willemsplein...
Avondrood

Avondrood

Soms voel je het. Dat je nog even naar buiten moet. Nog even snel, voor het donker is. Omdat dat laatste half uurtje, meer nog dan al die andere uren van die dag, de herinnering bevat die je niet had willen...
Papertrail

Papertrail

Af en toe help ik mee met het inzamelen van oud papier voor de voetbalclub. We gaan dan op zaterdagochtend met een groep vrijwilligers op pad. Ik vind het gezellig, zo achterop de treeplank van de vuilniswagen. Een ochtendje zeulen met containers, bundels kranten en dozen. Gratis fitness. Met als bonus: een inkijkje in het leven van de dorpsbewoners. Een dorp of een stad zie ik graag als een organisme. Het leeft en verandert steeds een beetje van vorm. Buurten en wijken zijn de lichaamsdelen, in wegen en kleinere straatjes kun je makkelijk een bloedvatenstelsel zien. Het centrum, dat is het hart en het hoofd tegelijk. Daar komt alles samen. Parken en plantsoenen, dat zijn natuurlijk de longen. Daar halen we adem en vinden we balans. Het is een handige vergelijking. We willen immers dat dorpen en steden gezond zijn. Dat vaten niet verstoppen, dat het hart krachtig klopt en dat de longinhoud niet onder kritische waarden komt. Maar als je écht wil weten hoe een dorp of stad in elkaar steekt, dan moet je preciezer kijken. Dan moet je spreekwoordelijk bloed prikken, doordringen tot daar waar de mensen wonen. Maar ja, privé blijft toch privé. Daar tonen we ons niet zomaar aan alles en iedereen. Behalve als we ons oud papier buiten zetten. Als we op zaterdagochtend door het nog slapende dorp rijden, levert al dat oud papier een prachtig inkijkje in ons leven achter de voordeur. Een papertrail, letterlijk. Het meeste papier zien we niet, dat zit immers in ondoorzichtige bakken. Maar niet overal. En soms gaat het legen van een container mis. Dan keilt het papier...
Kulturschock am Wattenmeer

Kulturschock am Wattenmeer

Duitsers zijn serieus, ordelijk, plichtsgetrouw en gevoelig voor regels en hiërarchie. Bekende en gangbare vooroordelen die we er in Nederland over onze oosterburen op na houden. En hoewel ik niet zo van vooroordelen hou, kon ik er dit weekend echt niet om heen: Ordnung muß sein. In ieder geval aan de Duitse waddenkust. Ik logeerde een paar dagen bij vrienden in Bremerhaven, een boeiende stad waar Weser en Wadden elkaar ontmoeten. Eén van die dagen zwierven we wat door de omgeving en volgden de kust richting Cuxhaven. Het kustgevoel te pakken krijgen was nog niet zo eenvoudig. Land en water zijn op de meeste plekken resoluut van elkaar gescheiden door een hoge grasdijk. Slaperige dorpjes doen in niets vermoeden dat je aan de kust bent. Dat wordt hoogstens verklapt door een verdwaalde zeemeeuw die uitrust op een lantaarnpaal. Nee, het strandtoerisme is aan de Duitse waddenkust nog niet overal tot bloei gekomen. Nou ja, ‘strand’. De overgang tussen dijk en slib waarin je tot je knieën wegzakt, is natuurlijk niet echt een bountystrand. Deze plek trekt wadlopers en vogelaars, maar geen zonaanbidders, kuilengravers en zandkastelenbouwers. Die gaan liever naar Ibiza, Mallorca of Walcheren. Maar plotsklaps was het daar dan toch. In de buurt van het plaatsje Dorum stond het ineens heel duidelijk op een wegwijzer: Strand! Dat wilden we wel eens zien. Even verderop konden we inderdaad de dijk oversteken. Vaag kwam nog even de gedachte in me op dat het jammer was dat we geen zwemspullen bij ons hadden. Maar dat duurde niet lang. Ja, achter de dijk zagen we inderdaad de prachtige weidse Waddenzee. We zagen echter...
Onder de papklok

Onder de papklok

  Afgelopen oktober waagden we de sprong over de IJssel. We verkasten van Dieren naar Doesburg. Slechts vijf kilometer verderop, een steenworp afstand. Maar toch naar een andere wereld. Dieren is Veluwezoom, Doesburg is Achterhoek. Dieren is een dorp, Doesburg een stad. Dieren is veel groter geworden dan ooit bedoeling leek, Doesburg is juist kleiner gebleven. U begrijpt, genoeg verwondering over het hoe en waarom van dat alles. Dat stad-en-dorp-gedoe, dat vind ik opmerkelijk. Dieren heeft ruim vijftienduizend inwoners, Doesburg komt nog niet aan de twaalfduizend koppen. In Dieren, daar stap je elk half uur uit de Intercity. Voor Doesburg moet je voor de laatste kilometers nog een streekbus pakken. In Dieren, daar kun je met je liefje zoenen in de fietsenstalling van een middelbare school. Kom daar in Doesburg maar eens om. Zo bekeken lijkt het zo klaar als een klontje. Die stadsrechten, die in 1237 door Graaf Otto II aan Doesburg zijn toegekend, die had ie achteraf gezien net zo goed in Dieren kunnen laten bezorgen. Maar toch is er tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: Dieren is onmiskenbaar een dorp en Doesburg is een echte stad. Oké, een stadje van niks, als je naar de omvang kijkt. Maar, zo redeneert de Doesburger, groter is heus niet altijd beter. Waar zit ‘m dat dan in, dat ‘stad zijn’? In de tijd van Otto II, toen intercity’s en fietsenstallingen nog geen noemenswaardige rol speelden in ons dagelijks leven, betekende dat het recht om tol te heffen, om een markt te houden, of om recht te mogen spreken. Dat tol heffen en rechtspreken, dat gebeurt in Doesburg allang niet meer. Markten, die...